Vlaanderen
Klasse.be

Specialist

“Samenwerken met ouders begint lang vóór het oudercontact”  

  • 8 mei 2026
  • 9 minuten lezen

Veel scholen zetten in op ouderbetrokkenheid. Toch hapert de tandem steeds vaker. Sommige ouders weten amper hoe Smartschool werkt of blijven weg van het oudercontact. Andere zitten er dan weer ‘bovenop’. Hoe werk je goed samen met die diverse groep ouders? Marie Seghers en Jan De Mets (UGent) vertalen onderzoek naar concrete tips voor leraren.  

Portret Jan De Mets en Marie Seghers
Jan De Mets: “Wat ouders thuis doen, maakt het grootste verschil.”

Waarom wringen klassieke vormen van ouderbetrokkenheid vandaag?  

Jan De Mets, Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren (UGent): “Ouders zijn niet zomaar ‘klanten’ van de school die aan de zijlijn toekijken. Ze hebben de verantwoordelijkheid om samen met de school actief werk te maken van een sterke leeromgeving voor hun kind. Ze zijn met andere woorden educatieve partners, elk vanuit hun pedagogische wereld. Toch zien we vandaag dat bijvoorbeeld communicatie met ouders te vaak eenrichtingsverkeer is: het is vooral de school die het initiatief neemt om informatie te versturen.”

“Daarnaast focussen scholen traditioneel sterk op fysieke aanwezigheid van ouders op school, terwijl de impact van thuisbetrokkenheid op leerprestaties groter is, en terwijl minder zichtbaar zijn niet zomaar desinteresse impliceert.”

“Scholen vullen ouderbetrokkenheid vaak in als: een uitstap begeleiden, helpen op het schoolfeest, zetelen in de ouderraad … en met stip op één: aanwezig zijn op het oudercontact. Dat formele moment blijft weliswaar essentieel om een vertrouwensrelatie op te bouwen, maar de klassieke vorm staat vandaag soms onder druk: zo blijven ouders om diverse redenen – van werkdruk tot onzekerheid – weg.” 

Marie Seghers, Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren (UGent): “Bovendien is het klassieke 10-minuten-format niet altijd meer toereikend. Nederlands onderzoek toont aan dat leraren gemiddeld 80% van de spreektijd innemen. Dat laat weinig ruimte voor echte dialoog. Complexe vragen krijgen daar ook nauwelijks ademruimte. Daarom is een diepgaander vervolggesprek plannen in sommige gevallen nodig. Scholen experimenteren in die zin ook met KOM-gesprekken, waarbij de leerling actief wordt betrokken.”  

Zet de regisserende rol van de school de samenwerking met ouders onder druk?

Jan: “Er sluipt soms onbedoeld een onevenwicht in de relatie. Sommige ouders krijgen het gevoel dat ze tekortschieten. Ze ervaren de school als afstandelijk of beoordelend en trekken zich terug. Anderen gaan net in de overdrive: ze volgen elk bericht, sturen bij waar ze kunnen en willen geen enkele kans missen voor hun kind. Die betrokkenheid slaat soms om in druk, ook voor leraren.”  

“Daarom pleiten we voor wederkerigheid en gelijkwaardigheid in de relatie. Ouders en leraren delen tenslotte hetzelfde doel: de ontwikkeling van het kind. Hun rollen vullen elkaar aan. Als leraar ben jij de expert in leren en didactiek. Ouders kennen hun kind van binnenuit: zij zien talenten, gevoeligheden en drempels die op school niet altijd zichtbaar zijn.”

“Net door die perspectieven te verbinden ontstaat een rijker beeld van de leerling. En dat vraagt van beide kanten dezelfde beweging: luisteren, afstemmen en bereid zijn om je blik bij te stellen. Vanuit die idee van partnerschap hebben we het dan ook liever over ‘samenwerking met ouders’ dan over ‘ouderbetrokkenheid’.”  

Wanneer begin je te bouwen aan zo’n effectief partnerschap?

Jan: “Niet pas wanneer het moeilijk wordt. Wacht je tot een slechtnieuwsgesprek over tegenvallende cijfers of negatief gedrag, dan ben je te laat. Vertrouwen groeit vanaf het eerste contact. Vaak begint dat bij de inschrijving. Wat je daar uitstraalt, blijft nazinderen. Ga bij je onthaal dus verder dan de administratie. Laat ouders merken dat ze welkom zijn en gezien worden. En kies meteen voor dialoog: wat moeten we weten over jullie kind? Wat heb jij nodig? Hoe blijven we in contact?”  

“Wie met kinderen werkt, werkt altijd met ouders. Daarom loont het om in de eerste weken en maanden bewust te investeren in die relatie. Vertrouwen groeit niet vanzelf, maar door herhaald contact. Verbinding start vooral met informele contacten. Naast openklasmomenten loont het dus zeker ook om een babbel te doen tijdens breng- en haalmomenten of aan de schoolpoort. Die gesprekken verlagen de drempel om iets te vragen of te delen.”  

Marie Seghers, Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren
Marie Seghers: “Oudercontacten van 10 minuten waarbij de leraar voor 80% aan het woord is, die laten weinig ruimte voor echte dialoog.”

Hoe hou je daarna ook alle ouders aan boord in je communicatie?  

Marie: “Door toegankelijk en op maat te communiceren. Onderzoek toont aan dat een combinatie van mondeling én schriftelijk, formeel én informeel het best werkt. Kiezen voor 1 communicatiekanaal klinkt voor scholen misschien aanlokkelijk, maar houdt te weinig rekening met de diversiteit aan ouders. Niet iedereen beschikt over sterke digitale vaardigheden, een stabiele internetverbinding of een mail‑ en agendacultuur.” 

“Een goede eerste stap is daarom je huidige communicatie kritisch analyseren. Welke informatie moet iedereen écht meekrijgen? Via welk kanaal gebeurt dat vandaag? En wie bereik je daarmee wel en niet? Let ook op voor schooltaal. Begrippen als ‘differentiatie’ of ‘flexibel traject’ zeggen veel ouders weinig. De Huizen van het Nederlands bieden concrete tips om je taal in lager en secundair helder te houden.” 

Jan: “Op basis van die analyse kan je doordacht differentiëren. Niet alles via elk kanaal, maar wel bewust kiezen wat waarvoor werkt. Een korte herinnering via sms of WhatsApp — ‘Morgen oudercontact, vergeet je ’t niet?’ — kan soms effectiever zijn dan een lange mail. Voor gevoelige of complexe vragen blijft een gesprek de beste optie.” 

“Die keuzes vragen om duidelijke afspraken. Door helder te communiceren welk kanaal waarvoor dient, wanneer ouders een antwoord mogen verwachten en hoe dringende vragen verlopen, behoud je als school de regie over bereikbaarheid. Die duidelijkheid beschermt ook leraren tegen communicatiedruk, zeker bij zeer aanwezige ouders die onmiddellijk reactie verwachten.” 

Marie: “Omgekeerd betekent ook stilte aan de overkant niet automatisch desinteresse. Brieven kunnen zoekraken, berichten niet begrepen worden of vastlopen op digitale drempels. Soms speelt ook schaamte mee om dat toe te geven. Door je eigen aannames te bevragen — waarom reageert deze ouder niet? waar loopt iets vast? — verschuif je van oordeel naar nieuwsgierigheid.” 

“Onderzoek toont aan dat bijna alle ouders betrokken zijn bij de schoolloopbaan van hun kind. Denk bijvoorbeeld aan anderstalige ouders die bewust kiezen voor een Nederlandstalige school in Brussel, omdat ze hun kind meer kansen willen geven op de arbeidsmarkt. Ervan uitgaan dat ouders die je minder op school ziet, niet geïnteresseerd zijn, is dus te kort door de bocht. Vaak spelen er andere drempels: ploegenarbeid, taalbarrières, laaggeletterdheid, onzekerheid of negatieve schoolervaringen uit het verleden.”

“Die waarom-vraag stellen vraagt ook om een kritische blik op je eigen referentiekader. Veel schoolse verwachtingen maken we bijvoorbeeld nooit expliciet. We verwachten dat ouders intuïtief weten hoe ze huiswerk goed opvolgen of hoe ze thuis gepast reageren op een nota in de agenda. Wie zelf in Vlaanderen naar school is gegaan, weet dat misschien. Maar niet elke ouder beschikt over die ongeschreven codes. Ook die moet je expliciteren.”  

Minder zichtbare ouders zijn niet per se minder betrokken

Marie Seghers
Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren (UGent)

Onderzoek hamert vooral op het belang van thuisbetrokkenheid. Waarom?  

Jan: “Thuisbetrokkenheid heeft de grootste positieve impact op het schoolsucces van kinderen. Onderzoek toont aan dat wat ouders thuis doen om het leren van hun kind te ondersteunen, een leerwinst van 2 tot 3 maanden kan opleveren. Die inzet weegt dus zwaarder door dan hun aanwezigheid op oudercontacten of schoolactiviteiten.”  

“Thuisbetrokkenheid gaat vaak over kleine, dagelijkse gewoontes: spreken over school, oprecht nieuwsgierig zijn naar wat je kind leert, een rustige werkplek creëren … Bij jonge kinderen blijkt vooral taal stimuleren erg succesvol thuis: samen veel praten, spelen met letters en cijfers, lezen, boeken in huis halen.”  

“Bij oudere kinderen verschuift het accent. De leerling neemt dan meer eigenaarschap op. Als ouder kan je belangstelling blijven tonen en hoge verwachtingen stellen: uitspreken dat je vertrouwen hebt in de capaciteiten van je kind en positieve feedback geven. ‘Ik zie dat je echt je best doet’ geeft een heel andere boodschap dan ‘Zie maar dat je het goed doet’.”  

Leraren denken misschien: daar heb ik weinig vat op?

Marie: “Toch wel. Leraren kunnen veel in gang zetten door te tonen hoe je het kan doen. Tijdens openklasmomenten zien ouders hoe jij met je leerlingen tot leren komt: oogcontact maken, hardop denken, vragen stellen, herhalen, spreekkansen geven, bemoedigend knikken, enzovoort. Ze stelen met hun ogen van een onderwijsprofessional en nemen die inzichten mee naar huis. Modelleren is een sterke werkvorm in de samenwerking met ouders, omdat die niet belerend overkomt.”

“Ook kleine impulsen helpen. Iets meegeven dat thuis een gesprek opent. Een stickertje op een kleuterhand, bijvoorbeeld, zal wellicht de vraag uitlokken: ‘Wat heb je daar?’ Of een lijstje met concrete vragen die ouders kunnen stellen. Tijdens het koken: ‘Kan jij 3 lepels toevoegen?’ Zo kan je tellen oefenen. Of ’s avonds: ‘Hoe voelde je je tijdens de speeltijd?’ Zo leert een kind ook emoties benoemen. Hou bij je verwachtingen van wat gezinnen thuis doen wel rekening met hun draagkracht, anders vergroot je de kloof.”  

En de klassieker: huiswerk. Wat verwacht je daar wel en niet van ouders?  

Jan: “Ouders zijn geen didactisch geschoolde leraren. Toch schieten ze – met de beste bedoelingen – vaak in die rol: ze zitten mee naast hun kind, leggen uit, verbeteren. Alleen werkt die sturing vaak averechts: ze kan de druk op het kind verhogen en het leren net belemmeren. Benoem dat ook. Huiswerk dient net om te zien wat een leerling zelfstandig kan. Zelfs verlof nemen om mee te studeren? Liever niet.”  

“Het vergroot bovendien de kloof tussen wie wel en wie niet die ondersteuning krijgt. Maak als school duidelijk wat je verwacht en neem ouders daarin mee. Wat volgens onderzoek wél helpt: ouders die indirect helpen bij huiswerk. Niet mee in de oefening duiken, maar interesse tonen, aanmoedigen om vol te houden, zorgen voor ontspanning … En loopt het vast? Dan is een seintje aan de leraar waardevoller dan het antwoord voorzeggen.”  

Jan De Mets, Expertisecentrum Taal, Diversiteit & Leren
Jan De Mets: “Niet elke ouder beschikt over sterke digitale vaardigheden, een stabiele internetverbinding of een mail‑ en agendacultuur.”

Wat als de thuissituatie uitdagingen met zich meebrengt die de draagkracht van de school overstijgen?

Marie: “Scholen zijn geen eilanden. Ze hoeven het niet alleen te doen en winnen net aan kracht door samen te werken. Onderzoek toont aan dat sterke praktijken vaak steunen op externe partners: LIGO voor taal- en digitale vaardigheden, bibliotheken voor voorleesinitiatieven, het Huis van het Kind voor opvoedingsondersteuning.”  

“Ook brugfiguren, CLB-medewerkers of een OCMW dat op school zitdagen organiseert, maken het verschil. Als school kan je een ontmoetingsplek zijn die die partners zichtbaar maakt. Een belangrijke nuance: samenwerken met externen is niet hetzelfde als blindelings dingen uit handen geven. Je wil niet dat een brugfiguur het gesprek met anderstalige ouders helemaal van je overneemt, wél dat die expertise verankerd raakt in je werking.”  

Kan je ook ouders inschakelen om andere ouders te versterken?

Jan: “Zeker. Ouders zijn vaak elkaars eerste hulplijn. Klasouders, ouderambassadeurs of buddy’s maken dat concreet: ze gidsen elkaar, gaan samen naar een oudercontact, leggen uit hoe een platform werkt. Dat verlaagt drempels, zeker voor wie een klein netwerk heeft.”  

“Als leraar kan je ouders actief met elkaar verbinden. Denk aan een infoavond in een zaal met 100 stoelen. Ouders zitten daar vaak wat op zichzelf; het vergt lef om in zo’n setting zelf contact te leggen. Tot de leraar zegt: ‘Mevrouw, mag ik u even voorstellen aan de mama van Rinus? Jullie zonen spelen vaak samen.’ Ook tijdens breng- en haalmomenten of wachtmomenten bij oudercontacten kunnen leraren zulke bruggen bouwen.”  

De ene leraar is natuurlijk de andere niet. Hoe voorkom je een wildgroei aan verwachtingen naar ouders toe?  

Marie: “Een gedragen visie zorgt voor continuïteit, ook wanneer leraren of directies wisselen. Leraren zijn van nature vaak doeners. Dat is een sterkte: acties brengen dingen in beweging. Maar pas wanneer je ze koppelt aan duidelijke doelen, haal je er op lange termijn meer uit. Daar samen over nadenken, met verschillende stemmen aan tafel — ook de kritische — is de eerste stap. Met de zelfscan die we ontwikkelden bij de leidraad ‘Samenwerken met ouders’ kunnen scholen hun sterke punten én groeikansen in kaart brengen. Zo werk je gericht aan acties en beleid.”   

Leraren leren nog altijd het meest van elkaar. Hoe ga jij daarmee om? Door tijdens personeelsvergaderingen ruimte te maken voor casusbesprekingen werk je tegelijk aan professionalisering én timmer je aan een gedeelde visie. Of steel met je ogen in een andere school. Hoe brengt dit team de verwachtingen rond thuisbetrokkenheid in kaart? Wanneer doen ze aan huisbezoeken? En zorgde de invoer van KOM-gesprekken voor betere relaties?” 

Jan: “Het loont ook om ouders doelgericht te bevragen: wat willen zij écht? Dat was de centrale vraag in een enquête van Hotelschool Gent. Op basis van de reacties ontstond een ouderweek, waarin (groot)ouders werden uitgenodigd om praktijklessen bij te wonen, schoon. Al zit een sterke samenwerking met ouders nooit in één enkel moment, maar in wat je elke dag doet. In hoe je luistert, communiceert en naar elkaar kijkt. Niet als buitenstaander, maar als partner met een gedeeld doel voor ogen.”


Hoe je samenwerken met ouders effectief vormgeeft, lees je in de leidraad ‘Samenwerken met ouders’ die Jan De Mets, Iris Vandevelde, Marie Seghers, Wendelien Vantieghem (UGent), Annelies Jehoul en Mariet Schiepers (KU Leuven) ontwikkelden voor Leerpunt. Gebruik ook de bijbehorende zelfscan.  

Simon Verbist

Voeg dit artikel toe aan je bewaarde artikels

Log in om te bewaren


Laat een reactie achter