Zo doen zij het
Antipestbeleid in het lager: zo houdt OLVP Bornem alles oké
In OLVP Lagere School Bornem bouwt het team al jaren aan een sterk antipestbeleid. Met maandelijkse lessen, actief speelplaatstoezicht en gerichte opvolging bij problemen proberen ze pesten minder kans te geven.
Jelle De Graeve, leraar 5e leerjaar: “Pesten gebeurt zelden in het volle zicht van leraren. Het zoekt de plekjes op waar minder ogen zijn. Een hoekje achter de bomen, een bankje uit het zicht, een toilethokje zonder veel sociale controle. Of het verplaatst zich naar het scherm. Toen laptops en Teams enkele jaren geleden een vaste plek kregen in onze klassen, verhuisde een deel van de sociale dynamiek mee.”
“Een leerling die plots uit de chatgroep van 5A wordt gegooid. Maar evengoed een klasgenoot die in het weekend via Snapchat belachelijk wordt gemaakt. Je kan dan zeggen dat zoiets buiten de schooluren gebeurt en dus niet jouw verantwoordelijkheid is. Maar zo werkt het niet. Wat zaterdagavond online gebeurt, bepaalt maandagochtend de sfeer in je klas.”
Anoek Smeyers, onderwijspedagoge en expert in pestpreventie: “Cyberpesten staat vaak niet op zichzelf. Het is meestal een verderzetting van wat er op school gebeurt. Online verandert wel de context: er is minder toezicht, een veel groter publiek en de drempel om iets kwetsends te zeggen ligt lager. Een leerling die pest, ziet niet rechtstreeks wat zijn boodschap met de ander doet. Dat noemen we het cockpiteffect.”
“Scholen en ouders delen de verantwoordelijkheid om cyberpesten aan te pakken. Die ligt niet bij één partij: ouders zien wat er thuis gebeurt, leraren kennen de groepsdynamiek op school. Door die informatie samen te leggen, krijg je een vollediger beeld van wat er speelt. Een goede samenwerking met ouders is daarom een belangrijke schakel.”
© Eva Vlonk

Jelle: “Op vlak van regels en discipline hadden we onze zaken op orde, maar we wilden niet wachten tot het fout liep. We zochten een sterker kompas om pesten vóór te zijn. In plaats van zelf het warm water uit te vinden, kozen we voor een wetenschappelijk onderbouwd antipestbeleid voor onze lagere school. In 2022 volgde ik samen met enkele collega’s een KiVa-opleiding.”
Anoek Smeyers: “Vaak wordt er onderschat hoeveel een leraar preventief al kan doen om pesten minder kans te geven. Goed klasmanagement met heldere regels en routines vormt het fundament van een warm leer- en leefklimaat. Maak leerlingen duidelijk dat ze bij jou terechtkunnen als het fout loopt. Kies daarbij niet voor harde of ondoordachte sancties, maar geef ruimte om fouten recht te zetten.”
“Ook je eigen gedrag als leraar heeft invloed op de groep. Leerlingen letten op je houding, je reacties, je woorden. Op wie aandacht en waardering krijgt en hoe je reageert wanneer iemand over de schreef gaat. Daarmee geef je, vaak zonder het te beseffen, mee aan welke omgangsvormen normaal zijn in de klas. Een leraar die respectvol en consequent reageert, geeft dus niet alleen het goede voorbeeld, maar beïnvloedt ook de sociale norm in de groep.”
Jelle: “Sinds we inzetten op een antipestbeleid krijgt elke klas van onze lagere school meerdere KiVa-lessen per maand. Daarin praten onze leerlingen over emoties, groepsdruk, grenzen aangeven en voor elkaar opkomen. Uiteraard op maat van hun leeftijd. Een leerling uit het 1e leerjaar noemt een ruzie om een bal soms al pesten. Daarom leren we jonge kinderen eerst wat pesten precies is.”
“Tijdens die lessen kruipen onze leerlingen via rollenspellen in de huid van verschillende personages. Zo ervaren ze zelf hoe pijnlijk het is om geviseerd of uitgesloten te worden. Daarna kijken we samen terug: wie begon, wie deed mee, wie keek weg en wie maakte het verschil? Zo wordt duidelijk dat pesten zelden alleen draait om een pester en een slachtoffer. De hele groep speelt een rol: ze kan pestgedrag versterken, maar ook helpen stoppen.”
Anoek: “Goed dat de school in de klassen stilstaat bij wat pesten is en hoe het werkt. Voor de definitie gebruiken we 3 kenmerken: pesten is herhaaldelijk geweld, met de intentie om te kwetsen en een machtsverschil tussen de betrokkenen. Een eenmalige ruzie is dat niet.”
“Jelle benoemt nog iets belangrijks: pesten is vaak een groepsproces. Scheve groepsdynamieken moet je daarom ook op groepsniveau aanpakken. Sterk dat de school omstaanders leert hoe ze op een veilige manier een kantelpunt kunnen vormen. Door leerlingen te leren hoe ze steun kunnen bieden, niet meelachen en er een volwassene bij halen, geef je hen een concrete rol in het stoppen van pestgedrag.”
© Eva Vlonk

Jelle: “Daarnaast verscherpten we ook ons speelplaatstoezicht. Wie tijdens de pauze onze speelplaats opwandelt, kan er niet naast kijken: collega’s in fluohesjes die tussen de leerlingen rondlopen. Op hun rug staat: ‘Hesje me gezien?’ Het klinkt speels, maar de boodschap is ernstig.”
“Voor iemand die gepest wordt, kan enkele meters speelplaats oversteken aanvoelen als een mijnenveld. Daarom verdeelden we de speelplaats in verschillende zones, met in elke hoek collega’s die actief toezicht houden. Zo is hulp nooit ver weg en zien leerlingen meteen bij wie ze terechtkunnen.”
Anoek: “Zichtbaar en verspreid toezicht brengt hulp letterlijk dichterbij. Maar let daarbij niet alleen op wat meteen opvalt, zoals uitschelden of duwen. Pesten zit vaak in stille signalen: een leerling die altijd als laatste gekozen wordt, alleen blijft staan op de speelplaats of plots iemand begint te ontwijken. Net die signalen missen we makkelijk.”
“Actief toezicht is daarom meer dan observeren. Het betekent ook contact maken. Door rond te lopen, leerlingen aan te spreken en af en toe mee te spelen, krijg je meer zicht op de groepsdynamiek. 4 meisjes die samen dansen en tegen een 5e zeggen: ‘Wij zijn al met 4 en dit dansje is met 4’, lijken op het eerste gezicht gewoon een groepje te vormen. Maar als dezelfde leerling dag na dag buiten de groep wordt gehouden, vertelt dat iets over haar positie. Niet elk afzonderlijk moment is pesten, maar terugkerende uitsluiting verdient wel aandacht.”
Jelle: “Het moeilijkste aan pesten is het opmerken ervan. Daarvoor heb je alle ogen nodig. Een leraar die merkt dat een kind op maandag steeds vaker buikpijn heeft. Een toezichter die ziet dat een leerling zich geregeld op het toilet verstopt. Een ouder die ons mailt dat het kind niet meer graag naar school gaat. Elk signaal nemen we even ernstig.”
“Als er een melding binnenkomt, overlopen we de feiten. Wat is er gebeurd? Hoelang speelt dit al? Wat doet dat met jou? En wat kunnen we doen? Ik herinner me een jongen die na een voetbalwedstrijd een kwetsende opmerking over zijn moeder naar het hoofd geslingerd kreeg. Dat kwam hard aan, maar was geen vorm van pesten. Bij eenmalige conflicten tussen leerlingen die ongeveer gelijk staan, volstaat het vaak dat we dat gedrag spiegelt. Zou jij dat zelf graag horen? Wat denk je dat dit met de ander doet? Vaak zie je dan al iets bewegen.”
Anoek: “Goed dat er in een antipestbeleid voor een lagere school laagdrempelige meldpunten bestaan. Die moeten voor iedereen duidelijk, bereikbaar en veilig zijn. Voorzie verschillende manieren om iets te melden, bijvoorbeeld bij een vertrouwenspersoon, via e-mail of met een brievenbus. Bied ook een anonieme optie aan. Zo vergroot je de kans dat signalen sneller gedeeld worden.”
“Een meldcultuur ontstaat bovendien niet omdat je ergens een affiche ophangt waar leerlingen terechtkunnen. Leerlingen moeten ervaren dat melden zin heeft, iets in beweging zet. Dat begint bij luisteren, maar stopt daar niet. Ze willen ook weten wat er met hun verhaal gebeurt en welke stappen je als volwassene neemt. Als een leerling merkt dat vertellen helpt en niet tot nieuwe problemen leidt, wordt de drempel kleiner om een volgende keer opnieuw hulp te zoeken.”
© Eva Vlonk

Jelle: “Wanneer dezelfde leerling telkens opnieuw geviseerd wordt, bepalen we aan de hand van een stroomschema hoe ernstig de situatie is en welke aanpak het best past. Bij uitsluiting draait het verhaal immers zelden om één leerling. Vaak kiezen we daarom voor een niet-confronterende aanpak. Via een groeps- of klasgesprek vragen we: wat kunnen jullie doen zodat die klasgenoot zich opnieuw goed voelt? Zo proberen we verantwoordelijkheid te laten groeien in plaats van met een beschuldigende vinger te wijzen.”
“Al volstaat dat zeker niet altijd. Ik denk aan een jongen die een meisje bleef lastigvallen. Op een dag dook hij zelfs in haar tuin op. Dan moet je duidelijk zijn: je hebt de grens bereikt, dit gedrag moet nu stoppen. Samen met de ouders, de leerling en een vertrouwenspersoon maakten we heldere afspraken. Wat ga jij concreet doen om dit te stoppen? Niet meer naar haar huis gaan. En op de speelplaats in een andere zone blijven. Omdat hij die afspraken zelf mee formuleerde, konden we hem daar later ook beter op aanspreken.”
“Na één gesprek zijn we er niet. We blijven opvolgen. Voelt de leerling zich opnieuw veilig? Is het gedrag echt gestopt? Moeten we bijsturen? Ook onze jaarlijkse monitor helpt daarbij: àlle leerlingen vullen anoniem een vragenlijst in over hun welbevinden en pestervaringen. Mooi om te zien: de oudste leerlingen helpen de jongsten daarbij. En in augustus leggen we de resultaten naast ons buikgevoel. Klopt wat we denken te zien met wat leerlingen ervaren? En waar moeten we scherper zijn?”
Anoek: “Een goed antipestbeleid stopt niet bij ingrijpen wanneer het misgaat. Preventie en opvolging zijn minstens zo belangrijk. Door daar blijvend op in te zetten, verklein je de kans op nieuwe pestincidenten en werk je aan sterkere relaties en meer vertrouwen in de klas.”
“Weet dat je het als leraar niet alleen hoeft te doen. Bij zwaar pestgedrag voer je gesprekken met de betrokkenen best met 2. Zo maak je duidelijk dat je als team op 1 lijn staat. Durven doorverwijzen is als klasleraar geen teken dat je gefaald hebt, maar evenzeer professioneel handelen. Zo voorkom je dat een probleem onnodig escaleert en werk je samen aan een gerichte aanpak. Ook scholen staan er niet alleen voor om een antipestbeleid uit te werken. Via deze hulplijnen en organisaties krijg je informatie, advies en ondersteuning.”
Jelle: “Met zo’n 350 leerlingen op onze school ontkom je niet aan kliekjesvorming. Om te vermijden dat negatieve groepsdynamieken zich jarenlang vastzetten, gooien we de klasgroepen elk jaar opnieuw door elkaar. Dat zorgt soms voor gefronste wenkbrauwen. ‘Mag mijn zoon niet bij zijn beste vriend blijven?’, vragen ouders wel eens. Toch merken we dat het werkt. Hoe groter het netwerk van een leerling, hoe kleiner de kans dat iemand aan de rand van de groep blijft staan. En doorheen het schooljaar brengen we alle leerlingen voortdurend samen tijdens bosklassen, uitstappen en andere projecten.”
“Dat ons beleid leeft, merk je vandaag in heel de school. Tijdens personeelsvergaderingen delen we ervaringen en zoeken we samen naar oplossingen. Onze gezamenlijke aanpak loont: dit jaar wonnen we de zilveren medaille in de ‘Kies Kleur tegen Pesten’-wedstrijd. Een mooie erkenning. Al zit de grootste voldoening ergens anders: wanneer je een leerling die zich eerst terugtrok weer ziet lachen op school. Boven onze poort hangt niet toevallig de slogan: ‘OLVP, alles oké!’ Geen holle woorden, maar een belofte die we hier elke dag willen waarmaken.”
Log in om te bewaren






Laat een reactie achter