Klastips Gepubliceerd op

5 manieren om aan klankbewustzijn te werken bij kleuters

1 reactie

Log in om te bewaren.

Delen

Klankbewustzijn ontwikkelen bij jonge kleuters kan latere leesachterstand voorkomen. Lieve Van Severen (Odisee) verklapt 5 manieren om daaraan te werken.
 

  1. Start eenvoudig

    Begin met eenvoudige klankherkenningstaakjes. Vierjarigen kunnen bijvoorbeeld al klankverschillen leren horen in minimale woordparen: ‘Zeg, wie gaat er deze zomer allemaal op ijs? Euh, ik bedoel op ‘reis’. Of speel een luisterspel waarbij ze moeten horen of ze een bepaalde klank in een woord horen: hoor je de klank /r/ in reis?

    In de derde kleuterklas breng je moeilijkere taken aan bod, zoals auditieve synthese (Kan je raden wat ik ben? /z/-/o/-/n/) en auditieve analyse (Hoeveel klankjes hoor je in ‘zee’?).

  2.  

  3. Hou het speels

    Werk aan klankbewustzijn binnen een thema dat kleuters aanspreekt. Kleed de ‘schoolsere’ klankbewustzijnstaakjes speels en functioneel in, zodat de kleuters beter betrokken zijn. Bijvoorbeeld: maak met de kleuters een checklist ‘Wat neem ik mee op reis?’, met enkel spulletjes waarin een /r/ zit (rokje, zwembroek, strandbal, emmer … ).

    Ook leuk: werken met een handpop die vertelt over haar avonturen en zich daarbij verspreekt. Zo zullen kleuters het geweldig vinden als de pop zegt dat ze op reis in Spanje ‘koude poep’ heeft gedronken. Of bedoelde ze ‘koude soep’?
    Diezelfde techniek kan je gebruiken om een kind dat een woord verkeerd uitspreekt waardoor er betekenisverschil optreedt (ijs-reis) bij te sturen: ‘Ik hoorde denk ik ‘ijs, of bedoelde je ‘reis?’ Op die manier maak je op een zachte manier duidelijk dat een verkeerde uitspraak kan leiden tot betekenisverwarring.

  4.  

  5. Bied in het begin veel ondersteuning

    Klankbewustzijn ontwikkelt zich vaak niet intuïtief, maar vergt onderwijs en oefening. Geef dus niet te vlug op en denk niet te snel dat je kleuters er nog niet rijp voor zijn. Expliciete instructie en een goede ondersteuning van de leraar zijn erg belangrijk.

    Een voorbeeld bij een klankherkenningstaakje:

    Juf: “Deze week is de lievelingsklank van Kaatje de klank /s/. Laten we eens een hele lange /s/ voor Kaatje maken.
    Kleuters: “sssssssssssssssssssssss”
    Juf: “Goed zo! Kijk nu naar mijn mond. Hoor je de klank /s/ in sint: ssss int? Zeg maar mee: Ssint.”
    Kleuters: “Sssint”
    Juf: “Hoor je de klank /ss/ in sint, sssss int?”
    Kleuters: …. (3 seconden)
    Juf: “Ja, ik hoor /s/ in sss int. Iedereen: ssss int.”

    De klank van de week wordt eerst onder de aandacht gezet én door de kleuters zelf in de mond genomen. De juf zorgt er eerst voor dat de aandacht van de kleuters naar haar mond gaat. Daarna benadrukt ze in haar instructie de gezochte klank door die langer aan te houden. Vervolgens herhaalt ze haar instructie. In een volgende stap laat ze de kinderen het woord zelf uitspreken. Tot slot geeft ze zelf het goede antwoord, en fungeert dus als ‘model’ voor de kleuters.

    Wanneer je merkt dat de kleuters de vaardigheid meer en meer onder de knie krijgen, verminder je de begeleiding door stapsgewijs een aantal technieken te laten wegvallen.

  6.  

  7. Las preteaching in voor risicokinderen

    Kinderen met de SES-indicator moeder met een laag opleidingsniveau’, kleuters met minder articulatievaardigheden en de jongste kleuters van de tweede kleuterklas maken vaak minder snel vorderingen tijdens klankbewustzijnstaakjes dan andere kinderen. Preteaching heeft een gunstig effect op hun prestaties.

    Door met hen de klassikale activiteit en instructie voor te bereiden in een klein (zorg)groepje, nemen ze een voorsprong op de grote groep. Tijdens de daaropvolgende klassikale activiteit is de kans groter dat ze de uitleg beter zullen begrijpen, actiever zullen meedoen en dus meer kans zullen hebben om succeservaringen op te doen. Dat is motiverender en effectiever dan remediërend optreden ná de klassikale activiteit.

  8.  

  9. Niet elke klank is in elke positie even gemakkelijk

    Je begint het best met het herkennen van klanken aan het woordbegin, en schenkt beter pas later aandacht aan klanken op het woordeinde. Als je werkt met klanken aan het woordbegin, dan is het aangeraden om niet te starten met plofklanken, zoals /p/ en /t/. Je kan starten met /s/, /f/, /m/, /n/, /r/ of /l/. Als je werkt met klanken aan het woordeinde, dan start je best met wrijfklanken, zoals /s/ en /f/, en plofklanken, zoals /p/ en /t/. Andere medeklinkers, zoals /m/, /n/, /r/ en /l/ pak je beter later aan.

    Vergeet ook de klinkers niet. In veel talen zijn er niet zo veel klinkers als in het Nederlands en maakt men bijvoorbeeld geen onderscheid tussen /a/ en /aa/. Nochtans is dat verschil leren herkennen belangrijk, want dat hebben kinderen later nodig bij de spellingsregels rond verdubbelen en verenkelen.

    Idem voor medeklinkerclusters zoals in grootst. Die komen ook niet in alle talen voor. Het kan voor anderstalige kinderen een hele uitdaging zijn om het verschil tussen ‘groot’ en ‘grootst’ te horen, maar voor wiskunde is dat verschil wel cruciaal.

 

Lieve Van SeverenLieve Van Severen is docent taaldidactiek en stagebegeleider in de opleiding bachelor kleuteronderwijs Odisee. Ze ontwikkelde de taalmethodiek Kaatje Klank. Die is bedoeld om luistervaardigheden, het klankbewustzijn en de spreekvaardigheden van vierjarige kleuters te stimuleren in functie van het voorbereidend lezen.