Gepubliceerd op
Specialist

Zo spoor je een taalontwikkelingsstoornis bij meertalige leerlingen tijdig op

‘Kapotte potlood waar doen?’ ‘Ikke ni kom morgen.’ Hoor je dit soort zinnen bij je meertalige leerlingen? Misschien maken ze die fouten ook in hun moedertaal en hebben ze een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Onderzoeker Heleen Leysen (Thomas More) legt uit hoe je een TOS tijdig opspoort met een vragenlijst en wat je als leraar kan doen in je klas.
 

Heleen Leysen

Waarom ontdekken leraren en ouders een taalontwikkelingsstoornis bij meertalige kinderen vaak te laat?

Heleen Leysen : “Taal ontwikkelt zich bij de meeste meertaligen iets anders. Die kinderen leren meerdere talen tegelijkertijd. Daardoor krijgen ze per taal minder input, en verwerven ze woordenschat of grammatica soms trager.”

“Een voorbeeld? Kinderen die nauwelijks Nederlands hoorden, maken soms transferfouten. Ze zetten de structuur van hun moedertaal om naar het Nederlands. In Romaanse talen zit het persoonlijk voornaamwoord vervat in het werkwoord. Een Spaanstalig kind dat net Nederlands leert, vergeet wel eens om een ‘ik’ voor een werkwoord te zetten. Dat is normaal. Als leraar moet je niet meteen aan de alarmbel trekken. Die leerling komt er wel, als hij wat meer tijd krijgt.”

“Kinderen die wel een TOS hebben, blijven die fouten maken, zelfs na jaren les in het Nederlands. Dat signaal pikken leraren af en toe te laat op. Ze denken te lang dat het kind niet genoeg met het Nederlands in contact komt. Zo’n leerling heeft logopedie nodig, maar wordt niet of te laat doorverwezen en bouwt steeds meer achterstand op.”

“Belangrijk: meertaligheid is geen extra risicofactor voor TOS. Het komt even vaak voor bij eentalige kinderen. Bovendien duikt een TOS nooit alleen op in de tweede taal, je moet ook taalproblemen vinden in de moedertaal. Daarom detecteren leraren het probleem bij kinderen die Nederlands spreken als moedertaal veel makkelijker.”


Leraren hebben een belangrijke signaalfunctie. Dankzij hun alertheid krijgen kinderen op tijd logopedie.

Herken je een TOS vooral aan kromme zinnen en een beperkte woordenschat?

Heleen Leysen: “TOS is een grillig en divers fenomeen. Het kind kan foute zinnen maken, maar ook geen initiatief nemen om te spreken. Of het begrijpt moeilijk complexe instructies : ‘Kom binnen, hang je jas aan de kapstok, neem je brooddoos uit de bak en ga aan je bank zitten’. Je pauzeert dan best even tussen elke instructie om te controleren of het kind uitvoert wat je vraagt.”

“Soms tast de TOS de uitspraak aan en vereenvoudigen kinderen systematisch klankcombinaties : elke ‘str’ wordt bijvoorbeeld ‘sr’: ‘sraat’ in plaats van ‘straat’. Of ze gebruiken erg algemene woorden zoals ‘dinges’ en ‘die’. Bij een kind van 7 dat al een paar jaar les in het Nederlandse les krijgt, is dat zorgwekkend.”

“Kinderen met TOS hebben vaak moeite om anderen te verstaan of om zichzelf uit te drukken. Dat is best frustrerend. Doordat ze zich niet makkelijk talig kunnen verdedigen, komen sommigen sneller in een conflict terecht. Anderen isoleren zich, spreken nauwelijks met klasgenoten, bouwen geen vriendschappen uit .”

Heleen Leysen

Heleen Leysen: “Vereenvoudig je taal niet te veel voor een leerling met TOS. Maak zelf geen kromme zinnen.”

 

Hebben veel kinderen een TOS?

Heleen Leysen: “Ongeveer 7 procent van alle kinderen lijdt eraan. Het is een aangeboren aandoening, die meer jongens dan meisjes treft. Vaak is het genetisch. Je groeit er dus niet uit. Volwassenen met TOS blijven moeite hebben met taal, maar grijpen naar strategieën. Krijgen ze complexe opdrachten, dan vragen ze om de instructie te herhalen of in stukjes te kappen.”

“Een TOS staat los van intelligentie en de cognitieve vaardigheden van een kind. Gehoorproblemen zijn ook geen verklaring voor een TOS. Onderzoek, vooral bij eentaligen, toont dat een TOS wel samen kan voorkomen met een andere ontwikkelingsstoornis, zoals dyslexie, dyscalculie, ADHD of ASS.”
 

Je ontwikkelde een vragenlijst om TOS op te sporen. Kan elke leraar die inzetten?

Heleen Leysen: “Ja. De oudervragenlijst is een laagdrempelige digitale tool – binnenkort in een 10-tal talen – die leraren helpt om meertalige kinderen tussen 4 en 10 jaar met een TOS te herkennen. Als (zorg)leraar kan je ouders daarbij perfect begeleiden. Zoek wel eerst uit of een kind al een rijk en kwalitatief taalaanbod kreeg. 2 jaar is een minimum voor je de vragenlijst voorschotelt.”

“Achterhalen of de taalproblemen zich ook in de moedertaal voordoen, is cruciaal: daarom vullen ouders in wanneer hun kind zijn eerste woordje of zin sprak (mijlpalen), bevraagt de tool zijn huidige niveau in de moedertaal en onderzoekt hij gedragspatronen en interesses: hoe zit het met aandacht en leesvaardigheid, welke emoties ervaart het kind?”

“Alle vragen ingevuld? Dan lees je meteen de resultaten, een conclusie en advies. Taalstimulering als een leerling te weinig taalaanbod kreeg. Leraren en ouders kunnen het kind extra prikkelen met korte gesprekken, boeken of filmpjes in het Nederlands. Legt de vragenlijst ook problemen in de moedertaal bloot, dan heeft het kind vermoedelijk een taalontwikkelingsstoornis. Verwijs die ouders door naar een logopedist, voor een diagnostisch onderzoek en een behandelplan.”

“Leraren hebben een belangrijke signaalfunctie. Zij zien de kinderen dagelijks, kennen de ouders. Zij kunnen rust brengen: logopedisten helpen hen als hun kind een taalontwikkelingsstoornis heeft. Hoe vroeger ze die detecteren, hoe beter het kind zich later uit de slag zal trekken. Daarom is die eerste screening heel waardevol.”


Een taalontwikkelingsstoornis verdwijnt nooit, maar je kan compenserende strategieën aanleren met een logopedist

Welke tips helpen leraren in hun klas? Hoe begeleiden ze leerlingen met een TOS tijdens de les?

Heleen Leysen: ‘Je kan je taalaanbod aanpassen, maar vereenvoudig niet te veel en maak zeker zelf geen kromme zinnen. Geef het kind genoeg kansen om iets te zeggen, zonder het daartoe te verplichten. Zorg voor een positief leerklimaat, zodat je leerling minder spreekangst heeft. En raad ouders aan om genoeg met hun kind te praten.”

“Blijf in contact met de logopedist. In het behandelplan stopt die duidelijke doelen, liefst in samenwerking met het kind, de school en de ouders. Schoolse woordenschat uitbreiden of meer noden leren uitdrukken, zoals zeggen wanneer je naar het toilet moet. Zeker bij kinderen met een zware achterstand is zelfredzaamheid prioritair. Maar het kan ook technischer, zoals werkwoordsvormen extra oefenen. Pas als ouders en leraren mee op dezelfde nagel kloppen, verbetert de taalvaardigheid van het kind.”

“Als leraar kan je de progressie van de leerling doorgeven aan de logopedist in een heen- en-weerschriftje of mail. Respecteer daarbij elkaars vak: jij bent geen logopedist, maar het is net zomin de bedoeling dat de logopedist met je leerling het huiswerk voor taal maakt.”
 

Heleen Leysen is logopedist en onderzoeker bij de expertisecel Taal en Leren aan Thomas More. Samen met haar collega Charlotte Mostaert ontwikkelde ze de vragenlijst ALDeQ-NL om meertalige kinderen op taalontwikkelingsstoornis te screenen in hun moedertaal.
 
Ook met de posters van Kentalis kan je de signalen voor een taalontwikkelingsstoornis herkennen. (Tip: eerst downloaden en opslaan, dan pas afdrukken)

Het beste van Klasse in je mailbox?

  • Al 58.000 leraren zijn abonnee
  • 1 keer per week en helemaal gratis
  • Verhalen van collega’s, concrete praktijktips, exclusieve wedstrijden ...